Betrouwbaar | Delen van kennis

Terugverdientijd is slechte raadgever

februari 2016 - De Aannemer

Rendement van investering blijft onduidelijk.

De terugverdientijd is voor niets anders geschikt dan voor het inschatten van de risico’s van investeringen. Hoe korter de terugverdientijd, hoe minder risicovol het voor de investeerder is. Het zegt echter niets over het rendement van de investering.

In de marketing wordt graag gebruikgemaakt van terugverdientijden om klanten te overtuigen een product te kopen. Hoe korter de terugverdientijd hoe zinvoller de investering, is de suggestie. Als toetje rekent de vertegenwoordiger dan ook nog even op basis van de terugverdientijd het rendement uit. Bijvoorbeeld bij een terugverdientijd van 10 jaar is het rendement 10% en bij een terugverdientijd van 5 jaar is het rendement 20%.

Logica en emotie
Voor leken klinkt dit zeer logisch. Deze wetenschap zien we dan vervolgens worden vermengd met emotie en het uiteindelijke resultaat is dat de meest onjuiste conclusies worden getrokken. Opdrachtgevers vinden een terugverdientijd van 10 jaar opeens te lang. Ze willen niet zo lang op hun geld wachten. Als we ze dan voorhouden dat volgens hun redenering een terugverdientijd van 10 jaar toch een rendement is van 10% en dat dit veel meer is dan je bij de bank moet betalen of je op een spaarrekening krijgt, wordt het even stil. “Wellicht woon ik er dan niet meer” of “Mijn klanten willen dit niet” zijn dan veelgehoorde argumenten. We leggen dan maar weer eens uit dat de terugverdientijd voor niets anders geschikt is dan voor het inschatten van de risico’s van investeringen. Hoe korter de terugverdientijd hoe minder risicovol het voor de investeerder is. Het zegt echter niets over het rendement van de investering.

Terugverdientijd
De terugverdientijd is de investering gedeeld door de jaarlijkse besparingen.

Voorbeeld 1:
U investeert in zonnecollectoren € 4. 500
De jaarlijkse besparing is € 300
De terugverdientijd is € 4. 500/€ 300 = 15 jaar

Voorbeeld 2:
U investeert in zonnepanelen € 8. 000
De jaarlijkse besparing is € 500
De terugverdientijd is € 8. 000/€ 500 = 16 jaar

Op basis van de voorheen beschreven wijsheid is voorbeeld 1 een betere investering. Als de levensduur van de zonnecollectoren echter 15 jaar is, is het rendement gelijk aan 0. U bent er dus niets mee opgeschoten. Terwijl, als de levensduur van de zonnepanelen 30 jaar is, hier nog een behoorlijk rendement valt te behalen.

Rendement
Het rendement van een investering geeft inzicht in hoe zinvol de investering economisch gezien is. De hierna volgende voorbeelden zijn sterk vereenvoudigd. Zo is geen rekening gehouden met inflatie en prijsstijgingen van energie. We komen hier later nog op terug.

Voorbeeld 1:
U investeert in zonnecollectoren € 4. 500
De jaarlijkse besparing is € 300
Levensduur is 15 jaar
Jaarlijkse afschrijving is € 4. 500/15 = € 300
Het rendement is (€ 300 - € 300)/€ 4. 500 = 0%

Voorbeeld 2:
U investeert in zonnepanelen € 8. 000
De jaarlijkse besparing is € 500
Levensduur is 30 jaar (dit is een al bewezen levensduur van pv-panelen)
Jaarlijkse afschrijving is € 8. 000/30 = € 267
Het rendement is (€ 500 - € 267)/€ 8. 000 = 2,9%

We komen zo al dichter bij de waarheid. Voorbeeld 2 is dus een betere investering. Als de restwaarde in beide voorbeelden te allen tijde direct 0 is, is voorbeeld 2 risicovoller maar biedt meer rendement.

De truc met rendement
Marketing is creatief. We komen rendementsberekeningen tegen die niet veel meer met de werkelijkheid te maken hebben, maar die zeer logisch lijken. Laten we even bij de zonnecollectoren blijven.

U investeert in zonnecollectoren € 4. 500
De jaarlijkse besparing is € 300
Het rendement dat wordt voorgerekend, is € 300/€ 4. 500 = 6,7%

De aanbieder gaat dit dan vergelijken met de rente die u krijgt op uw spaarrekening. Stel u krijgt 2% rente en de inflatie is 1%. Uw reëel rendement is dan 2% - 1% = 1%. Veel minder dan de 6,7% die wordt gesuggereerd. Zelfs deze vereenvoudigde werkelijkheid is anders (we laten het rente op rente-effect weg), namelijk:

Zonnecollectoren 6,7% × 15 jaar = 100% + restwaarde 0% = totaal 100%
Bij de bank 1% × 15 jaar = 15% + inleg 100% = totaal 115%
U bent er dus op deze manier ook niet beter van geworden.
U heeft zelfs 15% verlies ten opzichte van een spaarrekening waar het risico 0 is.

Restwaarde
De restwaarde van een installatie is altijd veel geringer dan de restwaarde van bouwkundige maatregelen. Een cv-ketel à € 1. 000 gemonteerd, heeft een gemiddelde levensduur van 14 jaar. De restwaarde na de looptijd is circa € 50. De restwaarde op de helft van de looptijd is dus theoretisch € 1. 000 - {(€ 1. 000 - € 50)/14} × 7 = € 1. 000 - € 475 = € 525. Isolatiemateriaal à € 1. 000 gemonteerd in een dakconstructie heeft een gemiddelde levensduur van 50 jaar. De restwaarde na de looptijd bedraagt € 0. Na 7 jaar (halve looptijd van de cv-ketel) is de restwaarde van dit isolatiemateriaal € 1. 000 - {(€ 1. 000 - € 0)/50} × 7 = € 1. 000 - € 140 = € 860. Na 7 jaar is het isolatiemateriaal € 860 - € 525 = € 335 meer waard dan de cv-ketel. Het werkelijke voordeel wordt nog groter omdat isolatiemateriaal geen onderhoud nodig heeft en de cv-ketel jaarlijks onderhoud vergt. Primair hebben bouwkundige investeringen de voorkeur boven investeringen in installatie. Alles heeft zijn grens, ook dit moet je per maatregel berekenen.

Netto contante waarde
De enige juiste methode om investeringen te beoordelen, is met de netto contante waarde-methode. Hierbij houden we rekening met de waarde die toekomstige besparingen nu ten tijde van de investering hebben. Als u op uw bankrekening 10% reële rente zou ontvangen – dus rente minus inflatie – is een bedrag dat u over een jaar ontvangt nu evenveel waard als dat bedrag gedeeld door 110%. Bijvoorbeeld, u ontvangt over een jaar een bedrag van € 1. 000. Dit bedrag is evenveel waard als nu € 909,09. Omdat als u € 909,09 op uw bankrekening zou zetten, dit over een jaar € 909,09 + 10% (€ 90,909) = € 1. 000 groot is. Als u uw eigen geld in plaats van op een bankrekening te zetten, investeert in energiebesparende maatregelen, loopt u rente-inkomsten mis. Deze kostenderving moet u meenemen in de rendementsberekening. Anderzijds: als u geld leent, moet u de annuïteit die u bij de bank betaalt meenemen in de rendementsberekening. Willen we zuiver rekenen, dan wordt het knap ingewikkeld.

Een voorbeeld:
U investeert in een pv-installatie € 10. 000
Onderhoud per jaar is € 100
Prijsstijging onderhoud is 2,5% per jaar
De opbrengst is 8000 kWh/jaar à € 0,22/kWh
De energieprijsstijging is 3% per jaar
Rente is 3% en inflatie is 1%
Levensduur is 30 jaar

De energiebesparing in geld uitgedrukt, stijgt 3% per jaar. In onderstaande tabel ziet u de uitkomst van de rendementsberekening. Daaruit blijkt dat de terugverdientijd 9 jaar is. Maar het rendement vergeleken met het geld op een bankrekening 30 jaar vastzetten tegen 3% rente is 14,16%. De winst over de gehele looptijd is € 36. 482,94 tegen de huidige waarde.

Rente 3%
Inflatie 1%
Reële rente 2%
Prijsstijging energie 3%
Gem. kosten eigen geld over looptijd contante waarde € 340,02
Investering met eigen geld € 10. 000
Lening t. b. v. de investering € 0
Onderhoud € 100
Prijsstijging onderhoud 2,5%
Besparing kWh/a 8000 kWh/a
Energieprijs € 0,22/kWh
Gem. besparing energie over looptijd contante waarde € 1. 549,43
Levensduur 30 jaar
Netto per jaar € 1. 109,41
Afschrijving bij inzet eigen geld € 333
Rendement op eigen vermogen t. o. v. spaarrekening 14,16%
Terugverdientijd 9 jaar
Restwaarde € 0

Totale inkomsten contante waarde € 46. 482,94

Inkomsten - investering netto contante waarde € 36. 482,94

Dit is de winst over de gehele looptijd.

Conclusie
De terugverdientijd kunt u alleen gebruiken om het risico van een investering in te schatten. Bij investeringen met het gelijke rendement kiest u de investering met de kortste terugverdientijd.

Ing. G. H. (Henk) Wegkamp

figuur 01 figuur 01